Basisbegrippen van de fotografie

Beginnende fotografen komen in een woud van begrippen terecht. Veel van deze begrippen kan je meestal niet dadelijk koppelen aan een logische uitleg. De bijhorende afkortingen op fototoestellen verschilt van merk tot merk wat het nog wat ingewikkelder maakt.

Onderstaande lijst is dan ook een leidraad doorheen de verschillende begrippen. Op een eenvoudige manier zijn de basisbegrippen uitgelegd Ga maar lekker aan de slag met je camera zonder hoofdpijn te krijgen van de talrijke instellingen.

Probeer de instellingen eerst apart uit en combineert ze nadien naar hartenlust met elkaar. Je zal het merken gaande weg ga je spelen met de instellingen en kan je voluit je nieuwe passie beleven.

Ondek jezelf , vindt je eigen stijl als fotograaf doorheen je leer- en zoektocht…het wordt alleen maar leuker!

Diafragma

Een diafragma kan je best vergelijken met de pupil van je oog. (Yep dat zwart rondje in het midden van je oog) Als dat zwarte rondje groot is, kan het veel licht ontvangen, meestal is dat in het donker.

Is je pupil klein , meestal wanneer het licht is, dan valt er veel licht op. Je kan het een beetje zien alsof je oog denkt dat er niet teveel licht in je ogen mag binnendringen. Op dezelfde manier werkt het diafragma.

Diafragma wordt aangegeven met de letter ‘f’. Hoe kleiner de waarde achter deze letter, hoe meer licht je diafragma opvangt. Voorbeeld : f5.6 zal minder licht binnelaten als f4

Je kan de waarde van het getal beschouwen als het randje dat blijft staan om de opening te maken wat het licht doorlaat.

Sluitertijd

Je staat voor een deur en die deur kan héél vlug open en dicht gaan of net héél traag. Deze snelheid waarmee je foto wordt gevormd, wordt de sluitertijd genoemd.

Bij bewegende voorwerpen wordt de sluitertijd erg belangrijk. Met een korte sluitertijd kan je die voorbijrijdende fietser scherp op je foto krijgen. Met een lange sluitertijd krijg je een lange streep, terwijl de achtergrond perfect scherp is.

Op miojn eigen toestel (een Fujifilm) wordt dit aangegeven met de letters ss op mijn scherm. Heb ik bv ss4000 op mijn scherm staan, heb ik een snelle sluitertijd ingeschakeld. Op 1/4000 van een seconde maakt jouw camera een foto voor jou!

ss150 is een tragere sluitertijd en heb je ss4″ dan heb je een heel lange sluitertijd ingesteld. Die laatst doet er dan 4 seconden over om jouw foto te maken.

Iso-waarden of lichtgevoeligheid

De lichtgevoeligheid bepaalt voor jou hoeveel licht er valt op het gedeelte van je camera waar je foto wordt gemaakt; de sensor.

Hoe lager de waarde, hoe minder licht je sensor nodig heeft om een goede foto te maken. Bij een helder dag gebruik je bv ISO 100 als instelwaarde.

Ben je binnen of wordt het donker, gebruik dan een hogere waarde bv ISO 1600. Probeer zo laag mogelijk in te stellen. Bij een hoge ISO-waarde kan een soort korreleffect op je foto ontstaan, dit wordt ook wel ruis genoemd.

Witbalans

Heb jij ook wel eens van die lampen gekocht waarna je dacht ‘ dit is een heel andere kleur dan die vorige lamp’. Hiermee kan je de witbalans vergelijken.

De ene lamp geeft een geelachtig licht terwijl een andere perfect wit licht geeft. Op je camera kan je zelfs een blauw, groen of rood licht instellen. Deze kleurinstelling wordt uitgedrukt met de waarde ‘Kelvin’.

Je raadt het al dhr. Kelvin was een slimme meneer die een vernuftig systeem wist te maken om de temperatuur van kleuren weer te geven. Hoe hoger het getal , hoe kouder de kleurtemperatuur.

Rood is bv 2000K, geel 4000K, wit 7000K en blauw kan oplopen tot 16000K

Ondertussen heeft jouw camera al opgelost welke waarden van Kelvin het best voor jouw gebruikt. Bij de toets ‘wb’ staan al een aantal voorgeprogrammeerde functies, zo kan je makkelijk naar daglicht, zonlicht of schaduw en bewolkt overschakelen.

Aanverwante artikels

Een WordPress.com website.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: